Waarom spiegels altijd barsten
De voorbije maanden lijkt de samenleving te versnellen, alsof er iets aan het verschuiven is in de manier waarop we naar onszelf en naar elkaar kijken. Echo chambers gonzen, mensen zoeken naar sterke leiders, en de taal van samenwerking maakt steeds vaker plaats voor die van efficiëntie en eigenbelang.
In die context wil ik een reeks essays schrijven, niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te bekijken. Om stil te staan bij de spiegels waarin we onszelf herkennen, en bij de barsten die daarin verschijnen.
We leven in een tijd van breuken: tussen wat we zeggen en wat we doen, tussen wie we zijn en wie we zouden willen zijn, tussen individu en gemeenschap.
Het uiteindelijke doel is om mijn reeks essays te verwerken in het boek Spiegels. Telkens schrijf ik over een spiegel die barst, en over de manier waarop we met die scherven omgaan: als individu, als groep, als samenleving.
- Wouter Samyn -

Iedere mens draagt een spiegel met zich mee. In die spiegel zien we wie we denken te zijn, gevormd door onze ervaringen, overtuigingen en de blikken van anderen. Soms blijft die spiegel lang heel, soms verschijnt er plots een barst. Maar breken is niet falen, het is groei. Elke breuk laat licht door, en uit de scherven kan een mozaïek ontstaan die rijker en eerlijker is dan het oorspronkelijke beeld. We leven samen in een wereld van spiegels: individueel spiegelen we ons aan elkaar, als groepen weerkaatsen we licht op wat we belangrijk vinden. De samenleving is daarmee één groot samenspel van reflecties, een levende discobal waarin onze verschillen samen het licht vormen dat ons mens maakt.
De spiegel van het individu
We geloven graag in een hele spiegel. Een vlak oppervlak dat ons één eenduidig beeld terugkaatst. Het geeft houvast: zo ben ik, zo zijn wij. Een geruststellend verhaal dat alles samenbrengt in één herkenbare vorm.
Maar elke spiegel barst vroeg of laat. Niet omdat we gefaald hebben, maar omdat een spiegel nooit de volle waarheid kan dragen. Ons brein is te complex, ons leven te veelzijdig, onze samenleving te veelstemmig. De hele spiegel die we ons voorhouden is een illusie.
De Franse psychoanalyticus Jacques Lacan beschreef ooit hoe het kind zichzelf voor het eerst herkent in een spiegel. Hij noemde dat het spiegelstadium: het moment waarop we ontdekken dat het beeld daarbuiten “ik” is, en tegelijk dat het niet helemaal ik is. In die korte verwarring ontstaat ons gevoel van identiteit. Een beeld dat houvast geeft, maar ook scheidt: tussen het echte lichaam en het perfecte spiegelbeeld. Sinds dat moment jagen we dat beeld na. We proberen te worden wie we denken te zijn.
En zo leven we allemaal in het verlengde van dat spiegelmoment.
We blijven verlangen naar samenhang, naar een herkenbaar gezicht in het water. We verafgoden het beeld dat ons ordent, dat van ons één geheel maakt. Maar dat geheel is nooit compleet, en dat weten we diep vanbinnen.
Wanneer een barst verschijnt, voelen we angst. We proberen de scheuren te negeren, plakken de stukken met lijm of tape. Maar niets kan de spiegel redden. Hij was nooit bedoeld om eeuwig mee te gaan.
En toch: het barsten van een spiegel is geen einde. Het is een begin.
De scherven nodigen ons uit tot iets nieuws. We kunnen de stukken oppakken en leggen tot een mozaïek. Geen glad beeld meer, maar een veelkleurig patroon dat rijker is dan de spiegel ooit was.
In ons persoonlijk leven zien we het in crisissen: de relatie die eindigt, de job die ophoudt, het zelfbeeld dat sneuvelt. In de samenleving zien we het in afkalvend vertrouwen in politiek en media, in de polarisatie die echo kamers blootlegt. Het zijn breuken die ons confronteren, maar ook de kans bieden om verder te kijken dan de illusie van heelheid.
De spiegel barst altijd…
in de scherven ligt de mogelijkheid tot inzicht, en in het inzicht, een nieuwe schoonheid.
Iedereen kent dat moment waarop de spiegel een kleine barst vertoont.
Je ziet iets wat je liever niet ziet: een verschil tussen wat je doet en wat je diep vanbinnen gelooft. Soms is die barst klein, een schuldgevoel dat je even wegduwt, maar ze kan zich uitbreiden tot een niet te herstellen barst.
Voor mij kwam die een aantal jaar geleden in de vorm van een eenvoudige vaststelling: ik at nog steeds dierlijke producten, terwijl ik overtuigd was van hun negatieve impact op klimaat en dierenwelzijn. De barst in mijn spiegel werd niet door iemand anders veroorzaakt. Ze zat er al. Iemand hoefde alleen maar het licht er anders op te laten vallen.
De gedragspsycholoog Leon Festinger noemde dat cognitieve dissonantie: het ongemak dat ontstaat wanneer gedrag en overtuiging botsen. Ons brein is geprogrammeerd om die spanning te vermijden.
We doen dat door de spiegel te lijmen, te vermaken: we rationaliseren (“één côte à l'os maakt toch geen verschil”), of we lachen het weg (“alles met mate”). Zo blijft het beeld intact, maar niet de waarheid.
Sommigen kiezen ervoor om de barst te erkennen en deze op een andere manier in hun spiegel te passen. Ze passen hun gedrag aan, zodat beeld en overtuiging weer kloppen.
Ik deed dat door veganistisch te gaan eten en leven. De barst was ongemakkelijk, maar de rust die erop volgde voelde als een nieuwe samenhang. De barst is evenwel niet weg, nog steeds kan ik erover mijn hoofd breken dat ik misschien iets eerder tot mijn hervonden inzicht was kunnen komen.
Anderen kiezen een andere weg: ze verdedigen hun spiegel met alles wat ze hebben.
In plaats van te veranderen, verwerpen ze het licht dat de barst zichtbaar maakt.
Ze keren zich tegen wie hen confronteert, vaak niet uit kwaadwilligheid, maar uit angst.
De spiegel is immers niet enkel een beeld van gedrag, maar van identiteit.
Aan onze keuzes kleeft wie we denken te zijn. En als iemand die keuzes in vraag stelt, voelt dat als een aanval op onszelf.
De Amerikaanse psycholoog Claude Steele noemde dat identiteitsdreiging: wanneer kritiek op gedrag wordt ervaren als existentiële bedreiging.
Dan wordt een eenvoudige zin als “Nee dank u, ik eet veganistisch” plots een provocatie.
De spiegel van de ander werpt dan te veel licht op onze eigen barst.
De spiegel van de groep
Wat geldt voor individuen, geldt ook voor samenlevingen. Groepen hebben spiegels, misschien nog brozere dan die van mensen. Ze bestaan uit verhalen, symbolen, gewoontes: zo zijn wij.
En wanneer dat beeld wordt bedreigd, reageren we collectief op dezelfde manier als individuen: met ontkenning, defensie, soms zelfs agressie.
Neem de recente beslissing van Europa om woorden als “burger”, “worst” of “schnitzel” te verbieden voor plantaardige producten. Op papier is dat een kwestie van handelsrecht en etiketten.
Maar onder die juridische laag schuilt iets diepers: een collectieve identiteitscrisis.
De vleesindustrie is meer dan een economische pijler; ze is een spiegel waarin Europa zichzelf decennialang heeft herkend.
De zondagse kip-aanhet-spit, de barbecue in de tuin, de préparé americain op het brood, ze vormen een cultureel zelfbeeld van overvloed, warmte en gemeenschap.
Met de opkomst van plantaardige alternatieven verschijnt er een barst in die spiegel.
Niet omdat iemand die spiegel wil breken, maar omdat nieuwe overtuigingen en waarden zoals duurzaamheid, dierenwelzijn, klimaatbewustzijn er licht op laten vallen.
Volgens gedragspsychologen zoals Jonathan Haidt reageren groepen op zo’n morele spanning door hun symbolen te verdedigen.
De beslissing om woorden te verbieden, is dus geen rationele taaldiscussie, maar een vorm van groepsdissonantie.
Wanneer feiten en waarden botsen met het culturele zelfbeeld, probeert de groep de spanning te verlagen door de symbolen te beschermen: in dit geval de woorden zelf.
Door het eigenaarschap over termen als “worst” te claimen, lijkt het alsof de oude spiegel behouden blijft.
Het is een collectieve versie van Festingers theorie: liever de barst negeren dan het beeld herschikken.
We poetsen de spiegel, geven hem een nieuw etiket, maar de breuk blijft zichtbaar.
Taal wordt zo het strijdtoneel van identiteit.
Toch ligt er ook hoop in dit soort breuken.
Een samenleving die in staat is om haar spiegel echt te bekijken, zou beseffen dat taal geen bezit is, maar een levend organisme.
Een “plantaardige burger” is geen bedreiging voor cultuur, maar een teken van evolutie.
Een samenleving die van haar spiegel een mozaïek durft te maken, bouwt aan een samenleving waarin oude en nieuwe waarden elkaar niet uitsluiten, maar versterken.
De kans in de breuk
Of het nu gaat om individuen of groepen, onze reactie op breuken toont wie we zijn.
We kunnen de spiegel blijven verdedigen, of we kunnen leren kijken naar het licht dat door de barst valt.
De eerste weg biedt zekerheid en conservatisme, de tweede groei en progressie.
De breuk zelf is niet het probleem, het is onze angst ervoor. Wie het ongemak van dissonantie durft te dragen, ontdekt dat spiegels nooit bedoeld zijn om eeuwig heel te blijven. Hij is er om te breken, om te leren, om te herschikken.
Zoals Winnicott zei: “Het is in het spelen dat de mens echt wordt.”
En zoals Arendt toevoegde: “Pluraliteit is de wet van de aarde.”
De spiegel moet dus barsten. De mozaïek die daaruit ontstaat, is niets minder dan onze volgende vorm van samenleven.